Sinds 2008 heeft een booteigenaar een overeenkomst met een jachthaven, waarbij de boot in de zomer een ligplaats heeft en gedurende de winter stalling op wal. Op enig moment heeft de jachthaven de boot enkele meters verplaatst toen deze op wal lag nu deze in de weg stond zodat andere boten in en uit het water gehaald konden worden. Nadat de eigenaar van de boot na lange tijd van afwezigheid weer bij de boot terug komt, blijkt er een dwarsspant aan de voorzijde van de kiel te zijn gescheurd.

De eigenaar stelt dat deze schade het gevolg is van het feit dat de kielbouten tijdens eerdere werkzaamheden zijn losgemaakt, als gevolg waarvan de kiel ten tijde van de verplaatsing niet meer vastzat aan de romp. Voor deze verplaatsing heeft de eigenaar geen toestemming gegeven. De jachthaven is het hier niet mee eens.

De vraag is of de jachthaven aansprakelijk is voor de schade. Daarvoor is van belang om te bepalen of de jachthaven de boot mocht verplaatsen. Het hof oordeelt dat dit het geval is. Partijen hebben niet afgesproken dat de boot op zijn plek moest blijven staan of uitsluitend na toestemming mocht worden verplaats. Voorts is van belang dat er voor de jachthaven noodzaak bestond om de boot te verplaatsen en het bij de eigenaar bekend was hoe de boot is geplaatst.

Uit het feit dat de jachthaven de boot mocht verplaatsen volgt dat geen sprake is van een tekortkoming aan de zijde van de jachthaven en de eigenaar dus geen recht heeft op een schadevergoeding. Daar komt bij dat het feit dat enige tijd na de verplaatsing blijkt dat sprake is van een scheur in de dwarsspant, dit niet direct betekent dat deze scheur een gevolg is van de verplaatsing.

(ECLI:NL:GHAMS:2017:366)