Sinds de inwerktreding van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) wordt er een regeling in het Burgerlijk Wetboek gewijd aan de beëindigingsovereenkomst. De beëindigingsovereenkomst is een vaststellingsovereenkomst waarin een werkgever en een werknemer in onderlinge overeenstemming besluiten dat het arbeidscontract wordt beëindigd met wederzijds goedvinden.

De bedenktermijn

Artikel 7:670b van het Burgerlijk Wetboek wijdt enkele regels aan de beëindigingsovereenkomst. Dit artikel biedt de werknemer een bedenktermijn, een mogelijkheid om binnen twee weken na de datum waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, de instemming schriftelijk weer te herroepen, ofwel de vaststellingsovereenkomst te ontbinden. Dit mag de werknemer zonder opgaaf van redenen doen.

Uit recente jurisprudentie is gebleken dat het tot op heden nog onduidelijk is wanneer de bedenktijd begint te lopen. Volgens het wetsartikel is dat vanaf het moment dat de overeenkomst is gesloten, maar wanneer is dat dan precies?

Conflicterende uitspraken

De Kantonrechter te Rotterdam oordeelde begin dit jaar over een geschil betreffende de aanvang van de bedenktermijn. De gemachtigden van een werkgever en een werknemer hadden overeenstemming bereikt over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst en dit aan elkaar bevestigd. Een dag later tekende de werknemer de beëindigingsovereenkomst. In geschil was of de bedenktermijn bij overeenstemming van de gemachtigden of bij ondertekening door de werknemer aanving. Het oordeel van de kantonrechter luidde dat “het tot stand komen van de overeenkomst” het moment is waarop de werknemer een handtekening zet onder de beëindigingsovereenkomst. De kantonrechter motiveerde zijn beslissing door te verwijzen naar de wetsgeschiedenis van de WWZ. In de wetsgeschiedenis wordt aansluiting gezocht bij het schriftelijkheidsvereiste bij een concurrentiebeding. Aan dat schriftelijkheidsvereiste is voldaan indien sprake is van ondertekening door de werknemer. Hetzelfde geldt voor de totstandkoming van een beëindigingsovereenkomst, concludeerde de kantonrechter. Er moet derhalve aan het schriftelijkheidsvereiste zijn voldaan voordat de bedenktermijn begint te lopen.

De Kantonrechter te Leiden deed afgelopen juni uitspraak in een soortgelijke zaak, maar sloot niet aan bij het oordeel van de Kantonrechter te Rotterdam. De rechter stelde dat de bedenktermijn al begint te lopen op het moment van overeenstemming van de essentialia van de beëindigingsovereenkomst. De wetgever heeft namelijk niet beoogd dat het schriftelijkheidsvereiste zo ver gaat dat pas bij ondertekening de termijn ingaat. Dat zou een grote afwijking van het reguliere contractenrecht zijn die wettelijk vastgelegd dient te worden. Het schriftelijkheidsvereiste beoogt een waarborg te bieden dat de werknemer de consequenties van het bezwarende beding goed heeft overwogen. Bij onderhandelingen tussen de werknemer en werkgever over beëindiging van de arbeidsovereenkomst mag er van uit worden gegaan dat de werknemer de gevolgen van de beëindiging onder ogen ziet. Zodoende wordt er voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste en begint de termijn te lopen, ook als de werknemer pas dagen later de vaststellingsovereenkomst ondertekent.

Leg het vast!

Door deze conflicterende jurisprudentie is het dus nog onduidelijk wanneer de bedenktermijn nou echt begint te lopen. Om onzekerheid te voorkomen is het raadzaam om als werkgever in de vaststellingsovereenkomst afspraken te maken over de startdatum van de bedenktermijn. Zo kan er geen geschil ontstaan over de mogelijkheid van het ontbinden van de beëindigingsovereenkomst.

Oktober 2016

Irma van der Vorst